|
De uitvinding van het glas wordt in het algemeen rond 3000 v Chr.
gedateerd. Het is waarschijnlijk een toevallige ontdekking geweest door
strandvuur waarbij door het versmelten van kiezel, kwartskristallen met
potas glas knikkers achterbleven in het zand. Pas in de 1 eeuw v. Chr. kon
men blank, doorzichtig glas maken en werd het ook voorzichtig toegepast in
vensters van rijke standen. Omdat er geen grote platen gemaakt konden worden
werden er eerst kleine stukken glas in hout of brons gemaakt.
Gebruiksvoorwerpen van glas werden al eerder ontdekt.
Wanneer er precies loodstrips gebruikt gingen worden is niet duidelijk maar
lood is een in de natuur voorkomend metaal en door de buigzaamheid,
zachtheid en laag smeltpunt goed te bewerken.
Om lood te kunnen gebruiken moest het wel een bepaalde vorm hebben en H is
de meest voorkomende.
Dit werd verkregen door het gesmolten lood in een speciale vorm (een zalmijzer) te
gieten. Daarna werd het door de zgn. loodmolen gedraaid waarbij breuklood
verkregen werd. (Breuklood is een strip lood wat grof in de vorm is van wat
het uiteindelijk moet worden.) Dit breuklood werd nogmaals door de loodmolen
gedraaid en op de benodigde breedte en hoogte maat gemaakt.
Dit principe van lood maken gebeurt nog steeds maar dan machinaal en
verschillende soorten glas worden ook nog met de mond als een cilinder
geblazen en open geknipt, maar de meeste worden machinaal gewalst.
|